Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team.

Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team.

VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE

DOOR MARIE METZ-KONING

INHOUD.

Van 't Viooltje dat weten wilde
De Tulp en de Madeliefjes
Elze
De Watermolen. Wat het Beekje vertelde

VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE.

In het bosch, aan den rand van een smal zandpad, stond een kleinviooltje, een blauw, ach, zoo zacht-blauw viooltje: blauw, alsdenkende kinderoogen, als oogen, waar diep-in raden van levensdroefheidangstigt. 't Stond wonder klein in 't groote bosch.

Hoog, recht, streefden de dennen er òp uit de aarde. Hun kruinenreikten in 't licht. Geheimzinnige zangen zongen ze. Geheimzinnige,eentonige zangen, die als slaapliedjes sussen de menschenziel, demoede, denk-moede menschenziel. Donkere zangen van melancholie zongenze voor den eenzame, zangen van geluk voor wie niet eenzaam is.

Glad, lichtgroen mos golfde aan hun voeten uit. Het golfde op en neer,glanzende lichtplekken makende in het donkere van de boomen-schaduw.

Dat was waar de dennekruinen al 't licht namen; maar aan den rand vanhet met afgevallen denne-naalden bestrooide zandpad, waar iets meerlicht viel, stond wat kort, dor gras, en daartusschen het viooltje.

Dit was de wereld van 't blauwe bloempje, de wereld waarin hetontwaakte, op een warmen zomerdag, verbaasd en niets begrijpendevan al die groote dingen om zich heen: die hooge, rechte, trotscheboomen, die boven alles uit het licht zagen, en welker kruinen overhet zandpad elkander raakten.

Het waren geen vertrouwelijke boomen, met takken hier en daar laagaan de stammen, waar de wind onder fluisterde, en die beschermingwuifden. Ze waren recht, steil als orgelpijpen, en stonden haast alleop gelijken afstand van elkaar.

Het viooltje staarde vragend van den eenen boom naar den anderen,van den anderen weer naar een volgenden en dan weer naar volgendeboomen, die achter elkaar schoven en in de verte weg-reiden. Ze keekangstig naar al de spitse, bruin-geworden denne-naalden, die om haarheen lagen, en naar het korte, spitse gras, dat er uitzag alsof hetpijn wou doen.

Ze zag door de denne-kruinen heen kleine stukjes blauw van den hemel,en daarheen zag ze gaarne; want daar was het licht!

Zoolang het dag was en ze den hemel kon zien, vond ze haar wereld weleentonig, maar toch draaglijk. Toen 't avond begon te worden en 'tlicht wegtrok, met zichtbare schokjes: eerst tusschen de boomstammen,toen van 't pad, en eindelijk boven de kruinen, vond ze het vreeselijkdaar zoo eenzaam te staan, en rilde ze van angst; vooral toen de windwat sterker werd.

De wind!… het streelen over haar heen van iets dat ze nietzag!… het angstig wegbuigen van 't gras, naar één kant op!… hetfluiten en joelen langs de stammen!… het kraken en vallen van doodetakjes uit de kruinen!… en vooral het ver aankomen en sterk bovenhaar gaan van machtige tonen, hoog in de dennen… tonen die zwollen,weg-ruischten, stierven, en weer kwamen aansuizen, telkens weer,zonder rust!… O! het maakte haar bang!… 't Was haar, of een boozegeest door 't bosch joeg, angst over haar heen ademend!

Eindelijk, toen 't licht weer kwam, eerst tusschen de kruinen,toen op 't pad, en langzaam voortkruipende de boomrijen in waar 'tverdween, voelde ze zich wat geruster. Het ruischen en zingen hoogin de donker-groene dennen duurde voort; maar langzaam aan werd zeer ve

...

BU KİTABI OKUMAK İÇİN ÜYE OLUN VEYA GİRİŞ YAPIN!


Sitemize Üyelik ÜCRETSİZDİR!