


Klein Fransje speelde met een schiet.
Dit was een dom gedoe,
Want eensklaps ging de kogel af,
Hier hielp geen pa of moe.
Klein Fransje schrok zich hall’f dood
En deed een flinken val.
Zijn wangen werden grutjes grauw,
Bij ’t hooren van den knal.
De kogel sloeg den spiegel stuk,
Tot duizend brokjes glas.
En boorde in den wand een gat,
Als of ’t boter was.

Een juffrouw met een kleinen hond
Liep in de middagzon
Die hond was jong, wou niet zoet mee
En trok zoo hard-ie kon.
De kogel schoot het touw in twee
De hond ging er van door
De juffrouw riep nu, in haar schik
Wat ben je zoet Azo’r.

Wat verderop schoot dan met gang
En met een flinken knal
De kogel door een picnictaart,
Dat was een vreemd geval.