Frits Millioen
En Zijne Vrienden

s-Gravenhage,
Charles Ewings.

Snelpersdruk van H. C. A. Thieme te Nijmegen.

[1]

Frits Millioen en Zijne Vrienden.

Eene vertelling.

I.

»De catechisatie was uitgegaan,” zooals de geijkte term luidde; »uitgevlogen” ware juister geweest, want een zwerm meisjes,kleine, groote, welgekleede, schraaltjes uitgedoste, stoven als joelende bijen wier korf werd verstoord, het huis van dendominé uit, en hortten in haar woeste vaart tegen een troep jongens aan die op hunne beurt de catechisatiekamer gingen innemen.De haast die ze hadden om de plaats binnen te dringen, waar menig hunner licht een mauvais quart d’heure te wachten stond, mogen wij tot ons leedwezen niet aan vromen ijver en weetgierigheid toeschrijven, dat zou eene psychologischeen eene historische onwaarheid zijn tegelijk—maar de woeste knapen hadden eene andere drijfveer. Als ze zich wat haastten,troffen ze al licht samen met enkele achterblijfstertjes en dat gaf dan aanleiding tot gestoei en pretmakerij.... ze haddeneen vol uur strak en stemmig neer te zitten onder het oog van dominé, het was niet vreemd dat ze het oogenblik waarnamen,waarin deze een ommezientje naar zijne vrouw was gegaan en eene versche pijp stopte, om nog eens wat rumoer te maken! Nu!daaraan lieten zij het zich dan ook heden niet ontbreken, daar was een gedreun of er krijgertje werd gespeeld rondom de banken,ten laatste lieten zich een paar gesmoorde gillen uit meisjeskeelen hooren, waarvan het moeielijk was te beslissen of ze uitwerkelijk leed dan wel uit schalke bangmakerij werden geslaakt.

Dominé was geabsorbeerd door zijne koffie en—»even de [2]krant,” daarbij te veel gewend aan allerlei geluiden om tusschenbeide te komen. In allen gevalle hij was geen schoolmeester en voordat het nieuwe leeruur geslagen had, achtte hij het niet oorbaar en beneden zijne waardigheidom de catechisatiekamer binnen te treden. Ook was men daar gansch niet op zijne tusschenkomst gesteld, en liever dan die inte roepen vlogen een paar kleine juffertjes met gloeiende gezichtjes als gejaagde reeën de gang door om op den stoep doorde wachtende dienstmeisjes, die intusschen met de groote jongens hadden geginnegapt—ontvangen te worden met eene gemaaktegrimmigheid.

»Wel Saartje is me dat laten wachten!”

»Ik kan het niet helpen, Mie! zoo waar niet....”

»Mooi! kan ik het dan helpen? en straks als je mama gromt, krijg ik de schuld dat ik zoo lang uitblijf.”

»Neen, want ik zal zeggen zooals het is, de jongens waren zoo ondeugend en Dientje.... dag Dientje tot Maandag!” maar reedswerd het praatstertje door hare onvriendelijke bonne wat ruw bij de hand gevat, en haastig voortgetrokken, er was niets meer te verstaan. Haar vriendinnetje werd weer op anderewijze begroet.

»Heden mijn tijd, Dientje! wat ziet uwé d’r haveluinig uit. Wat zal uwées tante knorren dat u zoo uit de leering komt!” wasde uitroep met verwijt gemengd der tweede gedienstige, terwijl zij inmiddels het mogelijke deed om het scheefstaande hoedjerecht te zetten en het omgeknoopte merinosche doekje wat ordelijk te schikken.

...

BU KİTABI OKUMAK İÇİN ÜYE OLUN VEYA GİRİŞ YAPIN!


Sitemize Üyelik ÜCRETSİZDİR!