Gepubliceerd in:
Nederlandsch Museum.
Tijdschrift
voor Letteren, Wetenschappen en Kunst,
onder redactie van
Mr. J. O. De Vigne, Profr. Paul Fredericq,
Mr. A. Prayon-Van Zuylen, W. Rogghé, Dr. Max Rooses,
Mr. C. Siffer en Profr. J. Vercoullie.
TWEEDE REEKS. - DERDE JAARGANG.
I.
GENT,
Algemeene Boekhandel van AD. Hoste, Uitgever,
Veldstraat, 49.
1886.
Blz. 307 - 321.
Zij keek, half over het portier gebogen, door het open venstertje,als de trein in het station aankwam. Hij stond haar af te wachten;doch eerst herkende hij haar schier niet meer. Het was zoolanggeleden dat zij elkaar[1] gezien hadden. Hij nam haar vriendelijk bijbeide handen, terwijl zij blozend en glimlachend van denspoorbaanwagen stapte, en kuste haar bewogen op beide hare wangen.Zij zag er zoo goed uit, sprak hij. Hij droeg haar pakje in de handen leidde haar tot aan zijn rijtuig, dat naar hen stond te wachten.Zij namen plaats nevens elkander. Dáár zaten zij nu nog bijeen, debroeder en de zuster, na zulke lange scheiding. Eenige grijze harendoorkruisten reeds als zilverdraadjes zijne zwarte lokken; zij kwamslechts in den bloei des levens. Zij was ook lang en slank vangestalte zooals hij, doch iets kleiner; zij had ook donkerbruin haar,bruine oogen, en op haar aangezicht iets zachts en liefelijks, datthans onder den indruk van hare gevoelens in een weemoedvollenglimlach scheen te versmelten. Van het verledene werd niet gesproken;hij vroeg haar niet, waarom zij sinds tien jaren niet eens bij hemgekomen was, niet eenmaal had geschreven; hij zei haar enkel, dat hijzoo gelukkig was haar terug te zien en zij zoo verschoond en zooveranderd was, dat hij haar nimmermeer erkend zou hebben. Hij sprakhaar ook van Tante, die gestorven was, en vroeg of deze gedurendehare ziekte veel had geleden. Een stille traan schoot langzaam inhaar oog.
"O! zooveel!" zuchtte zij. Zij bleven beiden eene wijle stilzwijgenden lieten hunnen blik langs wederskanten van den weg over hetlandschap drijven, terwijl het open rijtuig hen door de zachteavondschemering naar hunne woning voerde. Zij dacht aan Tante, diezij zoo bemind had en die voor haar steeds zoo goed was geweest; aanTante, die zij wellicht nooit zou verlaten hebben, hadde deze nogmogen leven. En hij dacht ook aan zijne eenzame en treurigelevenswijze, en of zijne zuster het bij hem wel gewoon zou kunnenworden. Zij kwamen met de duisternis te M... aan, het dorp waar Renéwoonde. Sinds den dood van vader was zij tehuis niet meer geweest.Hij leidde haar op de kamer, die hij voor haar had doen bereiden, enwees haar de kast en de commodes aan, waarin zij hare kleederen konleggen. "Hier was het steeds uw vertrek," sprak hij, "als gij kindwaart." Zij glimlachte bewogen en stak een binnendeurken open, enterwijl een traan van zachte ontroering haar oog schielijkverduisterde: "En hier was het de kamer van Moeder," antwoordde zij.Zij zagen elkander met aandoening aan. Hij leidde haar door al deplaatsen van het huis en zegde, dat zij alles volgens haren zin zoumogen schikken. En zij bedankte hem erkentelijk en dacht, dat hijtoch goed was voor haar.
La