
ROBERT HAMERLING
ASPASIA

[5]
Wanneer deze roman, naar eene vele malen aangehaalde les van onzen tijd, een volk—hetoud-helleensche—„bij zijn arbeid opzoekt” en de cosmopolitische arbeid van het Helleenschevolk zich uitstrekt tot den werkkring van kunstenaars, dichters en denkers, zal hetdan niet schijnen, dat aan deze soort van arbeid en aan de schildering daarvan ietsdiepzinnigs en wijsgeerigs aankleeft?
Zal de frissche bekoorlijkheid van den indruk niet achterstaan bij die beelden, welkeaan de bron van een naïef, oorspronkelijk, werkelijk ontluikend leven zijn ontleend,waaruit de poëzie nog heeft geput? En moet zulk eene poging, evenals op de bekoorlijkheidvan dat naïeve en natuurlijke, ook niet schipbreuk lijden op de bekoorlijkheid vanhet geestige in onzen hedendaagschen zin, van het realistische pikante op de verscheidenheidder tegenwoordige poëzie? Mocht Helleensch leven anders dan met Helleenschen eenvoudvoorgesteld worden? Mocht de schrijver naar iets anders trachten dan naar een ademvan den Helleenschen geest, van Helleensche bevalligheid en liefelijkheid? Rijzener bovendien geene bedenkelijke bezwaren, om een leven, dat reeds is ondergegaan teschilderen? Détail-schildering van het hedendaagsche leven wordt als een aantrekkelijkrealisme geprezen; die der Oudheid echter zal op velen den indruk van huiveringwekkendegeleerdheid maken. Inderdaad, wie [6]dit werk slechts vluchtig doorbladert, en opmerkt dat de afzonderlijke hoofdstukkenverschillende zijden van het Helleensche leven openen, hij zal spoedig met zijn oordeelgereed zijn, hij zal gelooven alleen een schetsboek vóór zich te hebben, in het gunsti