De magie is in wezen handelen, actief optreden bij uitnemendheid en welmet behulp van wonderbaarlijke of wonderbaarlijk werkende middelen, zijdoet blijken dat de mensch krachten bezit, die buiten het bereik van dealgemeen erkende zintuigen vallen; zij leidt tot de overtuiging dat onzeziel den "dood" overleeft en dat er nog andere intelligenties zondercellichamen bestaan. Wat de religie betreft, deze onderscheidt zich vande magie hoofdzakelijk daarin, dat zij tegenover de "hoogere" machtenuitteraard eene passieve houding aanneemt, een onderscheid, dat zichechter niet streng laat doorvoeren, zooals bijv. het gebed in velegevallen beslist een actief karakter draagt. De mantiek, d.w.z. het omraad vragen en uitvorschen van de toekomst buiten de rede om, wijkteveneens door haar passief karakter van de magie af, maar ook hier is degrens niet scherp te trekken, daar immers de magie vaak ter wille van dewichelarij wordt beoefend.
Wij vatten voorts de magie meer in individueelen zin op en roeren daarombijv. de zg. mysteriën, die immers in den grond der zaak officiëelemagie waren, niet dan bij uitzondering aan. Bij de indeeling van degegeven stof laten wij ons door historische gezichtspunten leiden.Hoofdstuk I behandelt den tijd tot ± 450 v. Chr., het tijdperk van hetnaïeve geloof, hoofdstuk II den tijd van ± 450 v. Chr.—± 100 v. Chr.,waarin het ongeloof bovendrijft, hoofdstuk III den tijd van ± 100 v.Chr.—± 50 n. Chr., waarin de kentering intreedt en het ongeloofterugwijkt; hoofdstuk IV den tijd van ± 50 n. Chr.—± 200 n. Chr.,waarin de nederlaag der ongeloovigen niet meer te loochenen valt, enhoofdstuk V de laatste eeuwen der oudheid, ± 200 ± 500 n. Chr., waarinhet geloof door de wijsbegeerte wordt gerechtvaardigd.
Hypothesen wantrouwende bepalen wij ons er hoofdzakelijk toe den lezermet de bronnen zelve in kennis te stellen. Wij hebben daarom getracht decitaten, hoe moeilijk, ja zelfs raadselachtig deze vaak zijn, zoonauwkeurig mogelijk te vertalen. Ook hierbij hebben wij, zooals van zelfspreekt, ons den arbeid onzer voorgangers ten nutte gemaakt. In devertaalde teksten staan onze eigene toelichtingen tusschen [ ].
Het is mij eene aangename plicht, in de eerste plaats Prof. Dr. J. deZwaan, en verder Dr. C. Brakman en den Heer W. C. Cape, voor de nuttigewenken, die ik van hen ontving, mijn hartelijken dank te betuigen.
Den Haag. K. H. E. de Jong.
Blz.