DE ZWARTE KOST

CYRIEL BUYSSE

1898


I

Het sloeg juist elf, die zondagmorgen, en in de enkele straat vanhet dorpje was alles stil en vreedzaam, toen, in een plotselingeopschudding, van huis tot huis de deuren openvlogen, en de bewonersmet uitroepingen van verbazing op hun dorpels kwamen.

Er moest voorwaar geen gewichtige gebeurtenis in het rustig Akspoeleplaatsgrijpen, om er terstond de lieden op de straat te lokken: deenkele voorbijtocht van een ongewoon rijtuig of de verschijning vaneen onbekende waren daartoe ruim voldoende. Doch ditmaal gold hetiets zó buitengewoon ontzettends, dat het er terstond als een kleinoproer werd.

Dáár, aan het uiteinde van de straat, komend in het dorp langs deweg van het station Bavel, naderde met rasse tred, vergezeld van eenjoelende bende knapen en meisjes, een groep van drie personen.

Hij, die in het midden liep, werd dadelijk herkend. Het was Massijn,Fortuné Massijn, de klerk van notaris Potvlieghe. Maar of de tweeanderen mensen of dieren waren, dat konden de stomverbaasdedorpelingen nog niet bevestigen.

Zij hadden de gestalte en de lichaamsvormen van twee magere, tevroeg opgeschoten vijftienjarige knapen. Beiden droegen eenzwartfluwelen pak, met korte broek en koperen knopen op het wambuis;beiden hadden lange rode kousen aan, en op het hoofd een zonderlingerode pet, met zwarte, schuins afhangende kwast. Doch wat volstrektop niets menselijks meer leek was hun gezicht: een glimmend-zwarte,monsterlelijke tronie met vervaarlijke ogen en vingerdikke lippen;en hun handen: afschuwelijke handen, zwart, lang en mager gelijkbeestenklauwen. Een soort van zwarte, dichtkroezende wol bedekte hunslapen; en door hun oorlellen staken overgrote koperen ringen, woestschitterend in de ochtend-zonneglans.

Massijn was in het dorp bekend als een allerzonderlingste kerel. Hetgreintje hoogmoedswaanzin, waaraan hij laboreerde, openbaarde zichbij hem in een zeer curieus verschijnsel: hij was bezeten door demanie der kennismaking met vreemdelingen. Men wist maar niet waarhij die steeds vandaan haalde, doch weinig zondagen gingen ervoorbij dat hij niet de een of andere onbekende bij zich had,waarmee hij, opgeblazen van trots, de herbergen van Akspoelebezocht, met zijn verwarde uitspraak van hakkelaar de vreemdelingaan zijn kennissen voorstellend als "zij...ijn bêêêsten vri...iend"van deze of gene, door de dorpelingen nooit gehoorde stad of streek;hem gul onthalend op al wat hij maar drinken wilde; hem eindelijkaan tafel uitnodigend en hem zelfs vaak met een rijtuig naar hetnaastgelegen station terugbrengend, dit alles tot grote ergernis vanzijn moeder en zuster, die in dergelijke kennismakingen niet hetminste genoegen vonden, en er integendeel zeer tegen opzagen eendeel van het beperkt huiselijk inkomen zo nutteloos te zienverspillen.

Zo bont als nu had hij het evenwel nog niet gemaakt. De wijze,waarop men hem bespotte was doorgaans bescheiden, maar nu liep hetwaarlijk de spuigaten uit.

Indien Massijn met zijn twee jonge negers vlug doorgestapt was,wellicht had hij, in de stomme verbazing van de dorpelingen, zonderonaangenaamheden tot aan zijn moeders huis kunnen geraken; doch eenbescheiden intrede was nu juist zijn bedoeling niet. Hij tuurdeglorieus rechts en links naar de vóór de deuren der huizen enherbergen saamgeschoolde menigte, nam nu en dan voor een kennis zijnhoed af, groette geestdriftig met de hand; en, vóór de stoep van deherberg Het huis van Commercie, waar zich een drukke groep bevond,hield hij plotseling stil, klom de trappen op, naderde tot een heermet stuurs gezicht en grijze baard, en sprak, trillend van hoogmoed:

—Mee...ee...eester Potvlieghe, ik heb de eer u twee...ee van mijnbêêste vrienden voo...oo...oor te stellen: A...albert Badoe enBou...ou...ou

...

BU KİTABI OKUMAK İÇİN ÜYE OLUN VEYA GİRİŞ YAPIN!


Sitemize Üyelik ÜCRETSİZDİR!